bevaren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bevaren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bevaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevarend
Past participle - Verleden deelwoord: bevaren

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbevaar
jijbevaart
hijbevaart
wijbevaren
julliebevaren
zijbevaren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bevaren
jijhebt bevaren
hijheeft bevaren
wijhebben bevaren
julliehebben bevaren
zijhebben bevaren

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbevoer
jijbevoer
hijbevoer
wijbevoeren
julliebevoeren
zijbevoeren

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bevaren
jijhad bevaren
hijhad bevaren
wijhadden bevaren
julliehadden bevaren
zijhadden bevaren

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bevaren
jijzult bevaren
hijzal bevaren
wijzullen bevaren
julliezullen bevaren
zijzullen bevaren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bevaren hebben
jijzult bevaren hebben
hijzal bevaren hebben
wijzullen bevaren hebben
julliezullen bevaren hebben
zijzullen bevaren hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bevaren
jijzou bevaren
hijzou bevaren
wijzouden bevaren
julliezouden bevaren
zijzouden bevaren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bevaren hebben
jijzou bevaren hebben
hijzou bevaren hebben
wijzouden bevaren hebben
julliezouden bevaren hebben
zijzouden bevaren hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbevaar

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + varen.

Additional Information