kleden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kleden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kleden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kledend
Past participle - Verleden deelwoord: gekleed

Cognates

See the 4 cognates of kleden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkleed
jijkleedt
hijkleedt
wijkleden
julliekleden
zijkleden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekleed
jijhebt gekleed
hijheeft gekleed
wijhebben gekleed
julliehebben gekleed
zijhebben gekleed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkleedde
jijkleedde
hijkleedde
wijkleedden
julliekleedden
zijkleedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekleed
jijhad gekleed
hijhad gekleed
wijhadden gekleed
julliehadden gekleed
zijhadden gekleed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kleden
jijzult kleden
hijzal kleden
wijzullen kleden
julliezullen kleden
zijzullen kleden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekleed hebben
jijzult gekleed hebben
hijzal gekleed hebben
wijzullen gekleed hebben
julliezullen gekleed hebben
zijzullen gekleed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kleden
jijzou kleden
hijzou kleden
wijzouden kleden
julliezouden kleden
zijzouden kleden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekleed hebben
jijzou gekleed hebben
hijzou gekleed hebben
wijzouden gekleed hebben
julliezouden gekleed hebben
zijzouden gekleed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkleed

Translations

  • clothe, adorn with clothing
  • habit, clothe
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    uitdossen
    aankleden, optooien, optutten, uitmonsteren

    Sample Sentences

    • [...] hem eene buis van geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig stond, zoo dat hij voor ' s hands vrij goed gekleed was, en niet weinig in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek belemmerde hem geweldig, en de [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] biggelden, stond geheel verbijsterd, en zeide: " Spreek ik tot een mensch of tot een engel ? " — " Wees daar niet ontsteld over, " zeide ik. " Zoo God u een engel toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij hebben kruid en lood. Zeg ons [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch clêden. Equivalent to kleed + -en.

    Verbs referencing "kleden"

    English clothe.

    Additional Information