bespoedigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespoedigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespoedigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespoedigend
Past participle - Verleden deelwoord: bespoedigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespoedig
jijbespoedigt
hijbespoedigt
wijbespoedigen
julliebespoedigen
zijbespoedigen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespoedigd
jijhebt bespoedigd
hijheeft bespoedigd
wijhebben bespoedigd
julliehebben bespoedigd
zijhebben bespoedigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespoedigde
jijbespoedigde
hijbespoedigde
wijbespoedigden
julliebespoedigden
zijbespoedigden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespoedigd
jijhad bespoedigd
hijhad bespoedigd
wijhadden bespoedigd
julliehadden bespoedigd
zijhadden bespoedigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespoedigen
jijzult bespoedigen
hijzal bespoedigen
wijzullen bespoedigen
julliezullen bespoedigen
zijzullen bespoedigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespoedigd hebben
jijzult bespoedigd hebben
hijzal bespoedigd hebben
wijzullen bespoedigd hebben
julliezullen bespoedigd hebben
zijzullen bespoedigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespoedigen
jijzou bespoedigen
hijzou bespoedigen
wijzouden bespoedigen
julliezouden bespoedigen
zijzouden bespoedigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespoedigd hebben
jijzou bespoedigd hebben
hijzou bespoedigd hebben
wijzouden bespoedigd hebben
julliezouden bespoedigd hebben
zijzouden bespoedigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespoedig

Translations

  • accelerate, to hasten
  • expedite, accelerate progress
  • hasten, to make someone/something speed up
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From spoedig + be- -en.

    Additional Information