bekennen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekennen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekennen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekennend
Past participle - Verleden deelwoord: bekend

Cognates

See the 5 cognates of bekennen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeken
jijbekent
hijbekent
wijbekennen
julliebekennen
zijbekennen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekend
jijhebt bekend
hijheeft bekend
wijhebben bekend
julliehebben bekend
zijhebben bekend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekende
jijbekende
hijbekende
wijbekenden
julliebekenden
zijbekenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekend
jijhad bekend
hijhad bekend
wijhadden bekend
julliehadden bekend
zijhadden bekend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekennen
jijzult bekennen
hijzal bekennen
wijzullen bekennen
julliezullen bekennen
zijzullen bekennen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekend hebben
jijzult bekend hebben
hijzal bekend hebben
wijzullen bekend hebben
julliezullen bekend hebben
zijzullen bekend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekennen
jijzou bekennen
hijzou bekennen
wijzouden bekennen
julliezouden bekennen
zijzouden bekennen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekend hebben
jijzou bekend hebben
hijzou bekend hebben
wijzouden bekend hebben
julliezouden bekend hebben
zijzouden bekend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeken

Translations

  • acknowledge, to admit the knowledge of
  • admit, to concede as true
  • confess, to admit to the truth
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    belijden
    erkennen, toegeven
    bemerken
    bespeuren, zien

    Sample Sentences

    • [...] Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; [...] (Robinson Crusoe)
    • Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor mij [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij het [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] meer vinden. Eindelijk kwam het mij in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was waarlijk eene bestiering der [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van klei of stopverw maken. Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] Dit ging zoo goed, dat ik een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen liep, bleef ik volkomen [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] het eiland zien naderen; en thans had deze ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik zelden in eene [...] (Robinson Crusoe)
    • Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] was. Ik was nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch bekennen, from Old Dutch bikennen, from Proto-West Germanic *bikannijan. Equivalent to be- + kennen. Cognates include German bekennen, and English and Scots beken. See: German, old spelling 'bekennen'.

    Verbs referencing "bekennen"

    German, old spelling bekennen, Swedish bekänna, English beken.

    Additional Information