beconcurreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beconcurreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beconcurreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beconcurrerend
Past participle - Verleden deelwoord: beconcurreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeconcurreer
jijbeconcurreert
hijbeconcurreert
wijbeconcurreren
julliebeconcurreren
zijbeconcurreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beconcurreerd
jijhebt beconcurreerd
hijheeft beconcurreerd
wijhebben beconcurreerd
julliehebben beconcurreerd
zijhebben beconcurreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeconcurreerde
jijbeconcurreerde
hijbeconcurreerde
wijbeconcurreerden
julliebeconcurreerden
zijbeconcurreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beconcurreerd
jijhad beconcurreerd
hijhad beconcurreerd
wijhadden beconcurreerd
julliehadden beconcurreerd
zijhadden beconcurreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beconcurreren
jijzult beconcurreren
hijzal beconcurreren
wijzullen beconcurreren
julliezullen beconcurreren
zijzullen beconcurreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beconcurreerd hebben
jijzult beconcurreerd hebben
hijzal beconcurreerd hebben
wijzullen beconcurreerd hebben
julliezullen beconcurreerd hebben
zijzullen beconcurreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beconcurreren
jijzou beconcurreren
hijzou beconcurreren
wijzouden beconcurreren
julliezouden beconcurreren
zijzouden beconcurreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beconcurreerd hebben
jijzou beconcurreerd hebben
hijzou beconcurreerd hebben
wijzouden beconcurreerd hebben
julliezouden beconcurreerd hebben
zijzouden beconcurreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeconcurreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + concurreren.

Additional Information