concorderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of concorderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: concorderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: concorderend
Past participle - Verleden deelwoord: geconcordeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconcordeer
jijconcordeert
hijconcordeert
wijconcorderen
jullieconcorderen
zijconcorderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconcordeerd
jijhebt geconcordeerd
hijheeft geconcordeerd
wijhebben geconcordeerd
julliehebben geconcordeerd
zijhebben geconcordeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconcordeerde
jijconcordeerde
hijconcordeerde
wijconcordeerden
jullieconcordeerden
zijconcordeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconcordeerd
jijhad geconcordeerd
hijhad geconcordeerd
wijhadden geconcordeerd
julliehadden geconcordeerd
zijhadden geconcordeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal concorderen
jijzult concorderen
hijzal concorderen
wijzullen concorderen
julliezullen concorderen
zijzullen concorderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconcordeerd hebben
jijzult geconcordeerd hebben
hijzal geconcordeerd hebben
wijzullen geconcordeerd hebben
julliezullen geconcordeerd hebben
zijzullen geconcordeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou concorderen
jijzou concorderen
hijzou concorderen
wijzouden concorderen
julliezouden concorderen
zijzouden concorderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconcordeerd hebben
jijzou geconcordeerd hebben
hijzou geconcordeerd hebben
wijzouden geconcordeerd hebben
julliezouden geconcordeerd hebben
zijzouden geconcordeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconcordeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information