wippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wippen

The word "wippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wippend
Past participle - Verleden deelwoord: gewipt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwip
jijwipt
hijwipt
wijwippen
julliewippen
zijwippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewipt
jijhebt gewipt
hijheeft gewipt
wijhebben gewipt
julliehebben gewipt
zijhebben gewipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwipte
jijwipte
hijwipte
wijwipten
julliewipten
zijwipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewipt
jijhad gewipt
hijhad gewipt
wijhadden gewipt
julliehadden gewipt
zijhadden gewipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wippen
jijzult wippen
hijzal wippen
wijzullen wippen
julliezullen wippen
zijzullen wippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewipt hebben
jijzult gewipt hebben
hijzal gewipt hebben
wijzullen gewipt hebben
julliezullen gewipt hebben
zijzullen gewipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wippen
jijzou wippen
hijzou wippen
wijzouden wippen
julliezouden wippen
zijzouden wippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewipt hebben
jijzou gewipt hebben
hijzou gewipt hebben
wijzouden gewipt hebben
julliezouden gewipt hebben
zijzouden gewipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwip

Translations

  • fuck, to have sexual intercourse—obscene or vulgar
  • root, coarse slang: to have sexual intercourse
  • screw, to have sexual intercourse with
  • seesaw, to use a seesaw
  • shag, to have sexual intercourse with
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • dat tafeltje wipt: that table teeters

    Etymology

    Derived from Middle Dutch wyppen (first attested in 1477), from Middle High German wipfen (“to jump”), from Proto-Germanic *wipjan- (“to move up and down”), probably related to *waibijaną (“to move around”). See: Middle High German 'wipfen'.

    Verbs referencing "wippen"

    Frisian, Saterlandic wipje.

    Additional Information