Infinitive - Onbepaalde wijs: bevoorraden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevoorradend
Past participle - Verleden deelwoord: bevoorgeraden
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | raad bevoor |
| jij | raadt bevoor |
| hij | raadt bevoor |
| wij | raden bevoor |
| jullie | raden bevoor |
| zij | raden bevoor |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bevoorgeraden |
| jij | hebt bevoorgeraden |
| hij | heeft bevoorgeraden |
| wij | hebben bevoorgeraden |
| jullie | hebben bevoorgeraden |
| zij | hebben bevoorgeraden |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ried bevoor; raadde bevoor |
| jij | ried bevoor; raadde bevoor |
| hij | ried bevoor; raadde bevoor |
| wij | rieden bevoor; raadden bevoor |
| jullie | rieden bevoor; raadden bevoor |
| zij | rieden bevoor; raadden bevoor |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bevoorgeraden |
| jij | had bevoorgeraden |
| hij | had bevoorgeraden |
| wij | hadden bevoorgeraden |
| jullie | hadden bevoorgeraden |
| zij | hadden bevoorgeraden |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bevoorraden |
| jij | zult bevoorraden |
| hij | zal bevoorraden |
| wij | zullen bevoorraden |
| jullie | zullen bevoorraden |
| zij | zullen bevoorraden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bevoorgeraden hebben |
| jij | zult bevoorgeraden hebben |
| hij | zal bevoorgeraden hebben |
| wij | zullen bevoorgeraden hebben |
| jullie | zullen bevoorgeraden hebben |
| zij | zullen bevoorgeraden hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bevoorraden |
| jij | zou bevoorraden |
| hij | zou bevoorraden |
| wij | zouden bevoorraden |
| jullie | zouden bevoorraden |
| zij | zouden bevoorraden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bevoorgeraden hebben |
| jij | zou bevoorgeraden hebben |
| hij | zou bevoorgeraden hebben |
| wij | zouden bevoorgeraden hebben |
| jullie | zouden bevoorgeraden hebben |
| zij | zouden bevoorgeraden hebben |
| jij | raad bevoor |