zwaaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwaaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwaaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwaaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwaaid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwaai
jijzwaait
hijzwaait
wijzwaaien
julliezwaaien
zijzwaaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwaaid
jijhebt gezwaaid
hijheeft gezwaaid
wijhebben gezwaaid
julliehebben gezwaaid
zijhebben gezwaaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwaaide
jijzwaaide
hijzwaaide
wijzwaaiden
julliezwaaiden
zijzwaaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwaaid
jijhad gezwaaid
hijhad gezwaaid
wijhadden gezwaaid
julliehadden gezwaaid
zijhadden gezwaaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwaaien
jijzult zwaaien
hijzal zwaaien
wijzullen zwaaien
julliezullen zwaaien
zijzullen zwaaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwaaid hebben
jijzult gezwaaid hebben
hijzal gezwaaid hebben
wijzullen gezwaaid hebben
julliezullen gezwaaid hebben
zijzullen gezwaaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwaaien
jijzou zwaaien
hijzou zwaaien
wijzouden zwaaien
julliezouden zwaaien
zijzouden zwaaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwaaid hebben
jijzou gezwaaid hebben
hijzou gezwaaid hebben
wijzouden gezwaaid hebben
julliezouden gezwaaid hebben
zijzouden gezwaaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwaai

Translations

  • flourish, to make bold, sweeping movements
  • sway, to move or swing from side to side; or backward and forward; to rock
  • swing, to rotate about an off-centre fixed point
  • wave, to move back and forth repeatedly
  • wave, to wave one’s hand
  • waver, to sway back and forth
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    maaien
    wuiven
    zwenken
    waggelen, draaien, zwieren

    Sample Sentences

    Etymology

    1. 16th century. Predominantly considered an alteration of waaien (“to wave, blow”) after certain words for swinging motions with initial zw-. Specifically perhaps a merger of waaien with zwenken (“to sway, swing”).
    2. Another theory derives it from rare Middle Dutch swaden, swayen (“to scythe, swing a scythe”), which is cognate with English swath.
    3. Relation with Old Norse sveigja and English sway, is unlikely as it would require a highly irregular phonetic development in Dutch.

    Verbs referencing "zwaaien"

    Proto-Slavic sъkati, Norwegian, nynorsk svaie, Swedish svaja.

    Additional Information