waggelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of waggelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: waggelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: waggelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewaggeld

Cognates

See the 3 cognates of waggelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwaggel
jijwaggelt
hijwaggelt
wijwaggelen
julliewaggelen
zijwaggelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewaggeld
jijhebt gewaggeld
hijheeft gewaggeld
wijhebben gewaggeld
julliehebben gewaggeld
zijhebben gewaggeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwaggelde
jijwaggelde
hijwaggelde
wijwaggelden
julliewaggelden
zijwaggelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewaggeld
jijhad gewaggeld
hijhad gewaggeld
wijhadden gewaggeld
julliehadden gewaggeld
zijhadden gewaggeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal waggelen
jijzult waggelen
hijzal waggelen
wijzullen waggelen
julliezullen waggelen
zijzullen waggelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewaggeld hebben
jijzult gewaggeld hebben
hijzal gewaggeld hebben
wijzullen gewaggeld hebben
julliezullen gewaggeld hebben
zijzullen gewaggeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou waggelen
jijzou waggelen
hijzou waggelen
wijzouden waggelen
julliezouden waggelen
zijzouden waggelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewaggeld hebben
jijzou gewaggeld hebben
hijzou gewaggeld hebben
wijzouden gewaggeld hebben
julliezouden gewaggeld hebben
zijzouden gewaggeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwaggel

Translations

  • rock, sway or tilt violently back and forth
  • stagger, to walk in an awkward, drunken fashion
  • teeter, tilt back and forth on an edge
  • waddle, To walk with short steps, tilting the body from side to side
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak naderde, riep hij ons toe: " Nu zult gij een beer zien leeren dansen. " Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Compare English waggle, Low German waggeln, German wackeln. See: English 'waggle', Low Saxon 'waggeln', German, old spelling 'wackeln'.

    Verbs referencing "waggelen"

    Low Saxon wackeln, Low Saxon waggeln, Luxembourgish wackelen.

    Additional Information