zondigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zondigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zondigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zondigend
Past participle - Verleden deelwoord: gezondigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzondig
jijzondigt
hijzondigt
wijzondigen
julliezondigen
zijzondigen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezondigd
jijhebt gezondigd
hijheeft gezondigd
wijhebben gezondigd
julliehebben gezondigd
zijhebben gezondigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzondigde
jijzondigde
hijzondigde
wijzondigden
julliezondigden
zijzondigden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezondigd
jijhad gezondigd
hijhad gezondigd
wijhadden gezondigd
julliehadden gezondigd
zijhadden gezondigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zondigen
jijzult zondigen
hijzal zondigen
wijzullen zondigen
julliezullen zondigen
zijzullen zondigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezondigd hebben
jijzult gezondigd hebben
hijzal gezondigd hebben
wijzullen gezondigd hebben
julliezullen gezondigd hebben
zijzullen gezondigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zondigen
jijzou zondigen
hijzou zondigen
wijzouden zondigen
julliezouden zondigen
zijzouden zondigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezondigd hebben
jijzou gezondigd hebben
hijzou gezondigd hebben
wijzouden gezondigd hebben
julliezouden gezondigd hebben
zijzouden gezondigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzondig

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch sondigen. Equivalent to zondig + -en or perhaps zonde + -igen.

Additional Information