Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: weiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weidend
Past participle - Verleden deelwoord: geweid
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | weid |
| jij | weidt |
| hij | weidt |
| wij | weiden |
| jullie | weiden |
| zij | weiden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geweid |
| jij | hebt geweid |
| hij | heeft geweid |
| wij | hebben geweid |
| jullie | hebben geweid |
| zij | hebben geweid |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | weidde |
| jij | weidde |
| hij | weidde |
| wij | weidden |
| jullie | weidden |
| zij | weidden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geweid |
| jij | had geweid |
| hij | had geweid |
| wij | hadden geweid |
| jullie | hadden geweid |
| zij | hadden geweid |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal weiden |
| jij | zult weiden |
| hij | zal weiden |
| wij | zullen weiden |
| jullie | zullen weiden |
| zij | zullen weiden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geweid hebben |
| jij | zult geweid hebben |
| hij | zal geweid hebben |
| wij | zullen geweid hebben |
| jullie | zullen geweid hebben |
| zij | zullen geweid hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou weiden |
| jij | zou weiden |
| hij | zou weiden |
| wij | zouden weiden |
| jullie | zouden weiden |
| zij | zouden weiden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geweid hebben |
| jij | zou geweid hebben |
| hij | zou geweid hebben |
| wij | zouden geweid hebben |
| jullie | zouden geweid hebben |
| zij | zouden geweid hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'weiden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'weiden'
leiden,
wedden,
wenden,
duiden,
eisen,
feilen,
gelden,
keilen,
luiden,
meien,
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] ik ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en hunne zeden zoo groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den duivel zelf.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch weiden, from Old Dutch *weithon, from Proto-Germanic *waiþoną, *waiþijaną. Equivalent to weide + -en. See: Old Dutch '*weithon'.
Verbs referencing "weiden"
Old English
wæþan.
Additional Information