weerzien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weerzien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weerzien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weerziend
Past participle - Verleden deelwoord: weergezien

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzie weer
jijziet weer
hijziet weer
wijzien weer
julliezien weer
zijzien weer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weergezien
jijhebt weergezien
hijheeft weergezien
wijhebben weergezien
julliehebben weergezien
zijhebben weergezien

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzag weer
jijzag weer
hijzag weer
wijzagen weer
julliezagen weer
zijzagen weer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weergezien
jijhad weergezien
hijhad weergezien
wijhadden weergezien
julliehadden weergezien
zijhadden weergezien

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weerzien
jijzult weerzien
hijzal weerzien
wijzullen weerzien
julliezullen weerzien
zijzullen weerzien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weergezien hebben
jijzult weergezien hebben
hijzal weergezien hebben
wijzullen weergezien hebben
julliezullen weergezien hebben
zijzullen weergezien hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weerzien
jijzou weerzien
hijzou weerzien
wijzouden weerzien
julliezouden weerzien
zijzouden weerzien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weergezien hebben
jijzou weergezien hebben
hijzou weergezien hebben
wijzouden weergezien hebben
julliezouden weergezien hebben
zijzouden weergezien hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzie weer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From weer- + zien.

Additional Information