verkankeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkankeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkankeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkankerend
Past participle - Verleden deelwoord: verkankerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkanker
jijverkankert
hijverkankert
wijverkankeren
jullieverkankeren
zijverkankeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkankerd
jijhebt verkankerd
hijheeft verkankerd
wijhebben verkankerd
julliehebben verkankerd
zijhebben verkankerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkankerde
jijverkankerde
hijverkankerde
wijverkankerden
jullieverkankerden
zijverkankerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkankerd
jijhad verkankerd
hijhad verkankerd
wijhadden verkankerd
julliehadden verkankerd
zijhadden verkankerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkankeren
jijzult verkankeren
hijzal verkankeren
wijzullen verkankeren
julliezullen verkankeren
zijzullen verkankeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkankerd hebben
jijzult verkankerd hebben
hijzal verkankerd hebben
wijzullen verkankerd hebben
julliezullen verkankerd hebben
zijzullen verkankerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkankeren
jijzou verkankeren
hijzou verkankeren
wijzouden verkankeren
julliezouden verkankeren
zijzouden verkankeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkankerd hebben
jijzou verkankerd hebben
hijzou verkankerd hebben
wijzouden verkankerd hebben
julliezouden verkankerd hebben
zijzouden verkankerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkanker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kanker + ver- -en.

Additional Information