Infinitive - Onbepaalde wijs: afkankeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afkankerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgekankerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | kanker af |
| jij | kankert af |
| hij | kankert af |
| wij | kankeren af |
| jullie | kankeren af |
| zij | kankeren af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgekankerd |
| jij | hebt afgekankerd |
| hij | heeft afgekankerd |
| wij | hebben afgekankerd |
| jullie | hebben afgekankerd |
| zij | hebben afgekankerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | kankerde af |
| jij | kankerde af |
| hij | kankerde af |
| wij | kankerden af |
| jullie | kankerden af |
| zij | kankerden af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgekankerd |
| jij | had afgekankerd |
| hij | had afgekankerd |
| wij | hadden afgekankerd |
| jullie | hadden afgekankerd |
| zij | hadden afgekankerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afkankeren |
| jij | zult afkankeren |
| hij | zal afkankeren |
| wij | zullen afkankeren |
| jullie | zullen afkankeren |
| zij | zullen afkankeren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgekankerd hebben |
| jij | zult afgekankerd hebben |
| hij | zal afgekankerd hebben |
| wij | zullen afgekankerd hebben |
| jullie | zullen afgekankerd hebben |
| zij | zullen afgekankerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afkankeren |
| jij | zou afkankeren |
| hij | zou afkankeren |
| wij | zouden afkankeren |
| jullie | zouden afkankeren |
| zij | zouden afkankeren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgekankerd hebben |
| jij | zou afgekankerd hebben |
| hij | zou afgekankerd hebben |
| wij | zouden afgekankerd hebben |
| jullie | zouden afgekankerd hebben |
| zij | zouden afgekankerd hebben |
| jij | kanker af |