verbasteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbasteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbasteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbasterend
Past participle - Verleden deelwoord: verbasterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbaster
jijverbastert
hijverbastert
wijverbasteren
jullieverbasteren
zijverbasteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbasterd
jijhebt verbasterd
hijheeft verbasterd
wijhebben verbasterd
julliehebben verbasterd
zijhebben verbasterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbasterde
jijverbasterde
hijverbasterde
wijverbasterden
jullieverbasterden
zijverbasterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbasterd
jijhad verbasterd
hijhad verbasterd
wijhadden verbasterd
julliehadden verbasterd
zijhadden verbasterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbasteren
jijzult verbasteren
hijzal verbasteren
wijzullen verbasteren
julliezullen verbasteren
zijzullen verbasteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbasterd hebben
jijzult verbasterd hebben
hijzal verbasterd hebben
wijzullen verbasterd hebben
julliezullen verbasterd hebben
zijzullen verbasterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbasteren
jijzou verbasteren
hijzou verbasteren
wijzouden verbasteren
julliezouden verbasteren
zijzouden verbasteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbasterd hebben
jijzou verbasterd hebben
hijzou verbasterd hebben
wijzouden verbasterd hebben
julliezouden verbasterd hebben
zijzouden verbasterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbaster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Derived from bastaard, equivalent to bastaard + ver- -en.

Additional Information