verkokeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkokeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkokeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkokerend
Past participle - Verleden deelwoord: verkokerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkoker
jijverkokert
hijverkokert
wijverkokeren
jullieverkokeren
zijverkokeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkokerd
jijhebt verkokerd
hijheeft verkokerd
wijhebben verkokerd
julliehebben verkokerd
zijhebben verkokerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkokerde
jijverkokerde
hijverkokerde
wijverkokerden
jullieverkokerden
zijverkokerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkokerd
jijhad verkokerd
hijhad verkokerd
wijhadden verkokerd
julliehadden verkokerd
zijhadden verkokerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkokeren
jijzult verkokeren
hijzal verkokeren
wijzullen verkokeren
julliezullen verkokeren
zijzullen verkokeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkokerd hebben
jijzult verkokerd hebben
hijzal verkokerd hebben
wijzullen verkokerd hebben
julliezullen verkokerd hebben
zijzullen verkokerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkokeren
jijzou verkokeren
hijzou verkokeren
wijzouden verkokeren
julliezouden verkokeren
zijzouden verkokeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkokerd hebben
jijzou verkokerd hebben
hijzou verkokerd hebben
wijzouden verkokerd hebben
julliezouden verkokerd hebben
zijzouden verkokerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkoker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information