trouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trouwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trouwend
Past participle - Verleden deelwoord: getrouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrouw
jijtrouwt
hijtrouwt
wijtrouwen
jullietrouwen
zijtrouwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrouwd
jijhebt getrouwd
hijheeft getrouwd
wijhebben getrouwd
julliehebben getrouwd
zijhebben getrouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrouwde
jijtrouwde
hijtrouwde
wijtrouwden
jullietrouwden
zijtrouwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrouwd
jijhad getrouwd
hijhad getrouwd
wijhadden getrouwd
julliehadden getrouwd
zijhadden getrouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trouwen
jijzult trouwen
hijzal trouwen
wijzullen trouwen
julliezullen trouwen
zijzullen trouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrouwd hebben
jijzult getrouwd hebben
hijzal getrouwd hebben
wijzullen getrouwd hebben
julliezullen getrouwd hebben
zijzullen getrouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trouwen
jijzou trouwen
hijzou trouwen
wijzouden trouwen
julliezouden trouwen
zijzouden trouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrouwd hebben
jijzou getrouwd hebben
hijzou getrouwd hebben
wijzouden getrouwd hebben
julliezouden getrouwd hebben
zijzouden getrouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrouw

Translations

  • espouse, become married to
  • marry, to take a husband or wife
  • marry, to be joined in marriage
  • marry, to unite in wedlock
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] was van Bremen afkomstig en had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie, Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone verbastering van naam, noemde [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch trouwen, from Old Dutch *triuwon, from Proto-Germanic *trewwāną. Equivalent to trouw (“loyality”) + -en or trouw (“faithful, loyal”) + -en. See: Middle Dutch 'trouwen', Old Dutch '*triuwon'.

    Verbs referencing "trouwen"

    Afrikaans trou, Norwegian tro, English trow.

    Additional Information