spelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spelend
Past participle - Verleden deelwoord: gespeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeel
jijspeelt
hijspeelt
wijspelen
julliespelen
zijspelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespeeld
jijhebt gespeeld
hijheeft gespeeld
wijhebben gespeeld
julliehebben gespeeld
zijhebben gespeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeelde
jijspeelde
hijspeelde
wijspeelden
julliespeelden
zijspeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespeeld
jijhad gespeeld
hijhad gespeeld
wijhadden gespeeld
julliehadden gespeeld
zijhadden gespeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spelen
jijzult spelen
hijzal spelen
wijzullen spelen
julliezullen spelen
zijzullen spelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespeeld hebben
jijzult gespeeld hebben
hijzal gespeeld hebben
wijzullen gespeeld hebben
julliezullen gespeeld hebben
zijzullen gespeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spelen
jijzou spelen
hijzou spelen
wijzouden spelen
julliezouden spelen
zijzouden spelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespeeld hebben
jijzou gespeeld hebben
hijzou gespeeld hebben
wijzouden gespeeld hebben
julliezouden gespeeld hebben
zijzouden gespeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeel

Translations

  • act, to perform a theatrical role
  • play, act in a manner such that one has fun
  • play, produce music using a musical instrument (transitive sense), affecting a noun
  • play, produce music using a musical instrument (intransitive sense, not affecting a noun)
  • play, participate in (a sport or game)
  • play, use a device to watch or listen to the indicated recording
  • toy, to play with
  • toy, to ponder or consider
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dollen
    stoeien
    acteren
    toneelspelen
    concerteren
    musiceren
    bespelen
    opvoeren
    sollen
    spotten
    friemelen
    frutselen

    Sample Sentences

    • [...] verdragen kon, als wanneer ik eenige kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd vielen, [...] (Robinson Crusoe)
    • Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er des nachts soms van droomde. Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch spēlen, equivalent to spel + -en.

    Verbs referencing "spelen"

    Afrikaans speel, German, Pennsylvania schpiele.

    Additional Information