sonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sonderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sonderend
Past participle - Verleden deelwoord: gesondeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksondeer
jijsondeert
hijsondeert
wijsonderen
julliesonderen
zijsonderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesondeerd
jijhebt gesondeerd
hijheeft gesondeerd
wijhebben gesondeerd
julliehebben gesondeerd
zijhebben gesondeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksondeerde
jijsondeerde
hijsondeerde
wijsondeerden
julliesondeerden
zijsondeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesondeerd
jijhad gesondeerd
hijhad gesondeerd
wijhadden gesondeerd
julliehadden gesondeerd
zijhadden gesondeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sonderen
jijzult sonderen
hijzal sonderen
wijzullen sonderen
julliezullen sonderen
zijzullen sonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesondeerd hebben
jijzult gesondeerd hebben
hijzal gesondeerd hebben
wijzullen gesondeerd hebben
julliezullen gesondeerd hebben
zijzullen gesondeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sonderen
jijzou sonderen
hijzou sonderen
wijzouden sonderen
julliezouden sonderen
zijzouden sonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesondeerd hebben
jijzou gesondeerd hebben
hijzou gesondeerd hebben
wijzouden gesondeerd hebben
julliezouden gesondeerd hebben
zijzouden gesondeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsondeer

Translations

  • sound, to probe
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French sonder. Equivalent to sonde + -eren.

    Additional Information