scherpen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scherpen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scherpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scherpend
Past participle - Verleden deelwoord: gescherpt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscherp
jijscherpt
hijscherpt
wijscherpen
julliescherpen
zijscherpen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gescherpt
jijhebt gescherpt
hijheeft gescherpt
wijhebben gescherpt
julliehebben gescherpt
zijhebben gescherpt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscherpte
jijscherpte
hijscherpte
wijscherpten
julliescherpten
zijscherpten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gescherpt
jijhad gescherpt
hijhad gescherpt
wijhadden gescherpt
julliehadden gescherpt
zijhadden gescherpt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scherpen
jijzult scherpen
hijzal scherpen
wijzullen scherpen
julliezullen scherpen
zijzullen scherpen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gescherpt hebben
jijzult gescherpt hebben
hijzal gescherpt hebben
wijzullen gescherpt hebben
julliezullen gescherpt hebben
zijzullen gescherpt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scherpen
jijzou scherpen
hijzou scherpen
wijzouden scherpen
julliezouden scherpen
zijzouden scherpen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gescherpt hebben
jijzou gescherpt hebben
hijzou gescherpt hebben
wijzouden gescherpt hebben
julliezouden gescherpt hebben
zijzouden gescherpt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscherp

Translations

  • sharpen, to make sharp
  • whet, hone or rub on with some substance for the purpose of sharpening
  • whet, stimulate or make more keen
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    slijpen
    wetten

    Sample Sentences

    • [...] eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien, die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten, twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch scherpen, from Old Dutch skerpen, from Proto-West Germanic *skarpijan.

    Verbs referencing "scherpen"

    German, Pennsylvania schaerfe.

    Additional Information