purperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of purperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: purperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: purperend
Past participle - Verleden deelwoord: gepurperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpurper
jijpurpert
hijpurpert
wijpurperen
julliepurperen
zijpurperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepurperd
jijhebt gepurperd
hijheeft gepurperd
wijhebben gepurperd
julliehebben gepurperd
zijhebben gepurperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpurperde
jijpurperde
hijpurperde
wijpurperden
julliepurperden
zijpurperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepurperd
jijhad gepurperd
hijhad gepurperd
wijhadden gepurperd
julliehadden gepurperd
zijhadden gepurperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal purperen
jijzult purperen
hijzal purperen
wijzullen purperen
julliezullen purperen
zijzullen purperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepurperd hebben
jijzult gepurperd hebben
hijzal gepurperd hebben
wijzullen gepurperd hebben
julliezullen gepurperd hebben
zijzullen gepurperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou purperen
jijzou purperen
hijzou purperen
wijzouden purperen
julliezouden purperen
zijzouden purperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepurperd hebben
jijzou gepurperd hebben
hijzou gepurperd hebben
wijzouden gepurperd hebben
julliezouden gepurperd hebben
zijzouden gepurperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpurper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information