pareren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pareren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pareren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: parerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepareerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpareer
jijpareert
hijpareert
wijpareren
julliepareren
zijpareren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepareerd
jijhebt gepareerd
hijheeft gepareerd
wijhebben gepareerd
julliehebben gepareerd
zijhebben gepareerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpareerde
jijpareerde
hijpareerde
wijpareerden
julliepareerden
zijpareerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepareerd
jijhad gepareerd
hijhad gepareerd
wijhadden gepareerd
julliehadden gepareerd
zijhadden gepareerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pareren
jijzult pareren
hijzal pareren
wijzullen pareren
julliezullen pareren
zijzullen pareren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepareerd hebben
jijzult gepareerd hebben
hijzal gepareerd hebben
wijzullen gepareerd hebben
julliezullen gepareerd hebben
zijzullen gepareerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pareren
jijzou pareren
hijzou pareren
wijzouden pareren
julliezouden pareren
zijzouden pareren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepareerd hebben
jijzou gepareerd hebben
hijzou gepareerd hebben
wijzouden gepareerd hebben
julliezouden gepareerd hebben
zijzouden gepareerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpareer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information