pulseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pulseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pulseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pulserend
Past participle - Verleden deelwoord: gepulseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpulseer
jijpulseert
hijpulseert
wijpulseren
julliepulseren
zijpulseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepulseerd
jijhebt gepulseerd
hijheeft gepulseerd
wijhebben gepulseerd
julliehebben gepulseerd
zijhebben gepulseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpulseerde
jijpulseerde
hijpulseerde
wijpulseerden
julliepulseerden
zijpulseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepulseerd
jijhad gepulseerd
hijhad gepulseerd
wijhadden gepulseerd
julliehadden gepulseerd
zijhadden gepulseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pulseren
jijzult pulseren
hijzal pulseren
wijzullen pulseren
julliezullen pulseren
zijzullen pulseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepulseerd hebben
jijzult gepulseerd hebben
hijzal gepulseerd hebben
wijzullen gepulseerd hebben
julliezullen gepulseerd hebben
zijzullen gepulseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pulseren
jijzou pulseren
hijzou pulseren
wijzouden pulseren
julliezouden pulseren
zijzouden pulseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepulseerd hebben
jijzou gepulseerd hebben
hijzou gepulseerd hebben
wijzouden gepulseerd hebben
julliezouden gepulseerd hebben
zijzouden gepulseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpulseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information