purgeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of purgeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: purgeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: purgerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepurgeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpurgeer
jijpurgeert
hijpurgeert
wijpurgeren
julliepurgeren
zijpurgeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepurgeerd
jijhebt gepurgeerd
hijheeft gepurgeerd
wijhebben gepurgeerd
julliehebben gepurgeerd
zijhebben gepurgeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpurgeerde
jijpurgeerde
hijpurgeerde
wijpurgeerden
julliepurgeerden
zijpurgeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepurgeerd
jijhad gepurgeerd
hijhad gepurgeerd
wijhadden gepurgeerd
julliehadden gepurgeerd
zijhadden gepurgeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal purgeren
jijzult purgeren
hijzal purgeren
wijzullen purgeren
julliezullen purgeren
zijzullen purgeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepurgeerd hebben
jijzult gepurgeerd hebben
hijzal gepurgeerd hebben
wijzullen gepurgeerd hebben
julliezullen gepurgeerd hebben
zijzullen gepurgeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou purgeren
jijzou purgeren
hijzou purgeren
wijzouden purgeren
julliezouden purgeren
zijzouden purgeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepurgeerd hebben
jijzou gepurgeerd hebben
hijzou gepurgeerd hebben
wijzouden gepurgeerd hebben
julliezouden gepurgeerd hebben
zijzouden gepurgeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpurgeer

Translations

  • scour, to clear the digestive tract
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information