presenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of presenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: presenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: presenterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepresenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpresenteer
jijpresenteert
hijpresenteert
wijpresenteren
julliepresenteren
zijpresenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepresenteerd
jijhebt gepresenteerd
hijheeft gepresenteerd
wijhebben gepresenteerd
julliehebben gepresenteerd
zijhebben gepresenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpresenteerde
jijpresenteerde
hijpresenteerde
wijpresenteerden
julliepresenteerden
zijpresenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepresenteerd
jijhad gepresenteerd
hijhad gepresenteerd
wijhadden gepresenteerd
julliehadden gepresenteerd
zijhadden gepresenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal presenteren
jijzult presenteren
hijzal presenteren
wijzullen presenteren
julliezullen presenteren
zijzullen presenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepresenteerd hebben
jijzult gepresenteerd hebben
hijzal gepresenteerd hebben
wijzullen gepresenteerd hebben
julliezullen gepresenteerd hebben
zijzullen gepresenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou presenteren
jijzou presenteren
hijzou presenteren
wijzouden presenteren
julliezouden presenteren
zijzouden presenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepresenteerd hebben
jijzou gepresenteerd hebben
hijzou gepresenteerd hebben
wijzouden gepresenteerd hebben
julliezouden gepresenteerd hebben
zijzouden gepresenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpresenteer

Translations

  • offer, propose
  • offer, place at disposal
  • present, bring into the presence of
  • propose, propose
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    introduceren
    voorstellen
    uitzenden
    vertonen
    aanbieden
    indienen, offreren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch presenteren, borrowed from Middle French présenter, from Latin praesentāre. See: Latin 'praesento'.

    Additional Information