pretenderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pretenderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pretenderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pretenderend
Past participle - Verleden deelwoord: gepretendeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpretendeer
jijpretendeert
hijpretendeert
wijpretenderen
julliepretenderen
zijpretenderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepretendeerd
jijhebt gepretendeerd
hijheeft gepretendeerd
wijhebben gepretendeerd
julliehebben gepretendeerd
zijhebben gepretendeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpretendeerde
jijpretendeerde
hijpretendeerde
wijpretendeerden
julliepretendeerden
zijpretendeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepretendeerd
jijhad gepretendeerd
hijhad gepretendeerd
wijhadden gepretendeerd
julliehadden gepretendeerd
zijhadden gepretendeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pretenderen
jijzult pretenderen
hijzal pretenderen
wijzullen pretenderen
julliezullen pretenderen
zijzullen pretenderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepretendeerd hebben
jijzult gepretendeerd hebben
hijzal gepretendeerd hebben
wijzullen gepretendeerd hebben
julliezullen gepretendeerd hebben
zijzullen gepretendeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pretenderen
jijzou pretenderen
hijzou pretenderen
wijzouden pretenderen
julliezouden pretenderen
zijzouden pretenderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepretendeerd hebben
jijzou gepretendeerd hebben
hijzou gepretendeerd hebben
wijzouden gepretendeerd hebben
julliezouden gepretendeerd hebben
zijzouden gepretendeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpretendeer

Translations

  • pretend, to allege falsely
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French prétendre. See: French 'prétendre'.

    Additional Information