pelgrimeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pelgrimeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pelgrimeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pelgrimerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepelgrimeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpelgrimeer
jijpelgrimeert
hijpelgrimeert
wijpelgrimeren
julliepelgrimeren
zijpelgrimeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepelgrimeerd
jijhebt gepelgrimeerd
hijheeft gepelgrimeerd
wijhebben gepelgrimeerd
julliehebben gepelgrimeerd
zijhebben gepelgrimeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpelgrimeerde
jijpelgrimeerde
hijpelgrimeerde
wijpelgrimeerden
julliepelgrimeerden
zijpelgrimeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepelgrimeerd
jijhad gepelgrimeerd
hijhad gepelgrimeerd
wijhadden gepelgrimeerd
julliehadden gepelgrimeerd
zijhadden gepelgrimeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pelgrimeren
jijzult pelgrimeren
hijzal pelgrimeren
wijzullen pelgrimeren
julliezullen pelgrimeren
zijzullen pelgrimeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepelgrimeerd hebben
jijzult gepelgrimeerd hebben
hijzal gepelgrimeerd hebben
wijzullen gepelgrimeerd hebben
julliezullen gepelgrimeerd hebben
zijzullen gepelgrimeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pelgrimeren
jijzou pelgrimeren
hijzou pelgrimeren
wijzouden pelgrimeren
julliezouden pelgrimeren
zijzouden pelgrimeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepelgrimeerd hebben
jijzou gepelgrimeerd hebben
hijzou gepelgrimeerd hebben
wijzouden gepelgrimeerd hebben
julliezouden gepelgrimeerd hebben
zijzouden gepelgrimeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpelgrimeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Modelled on older Middle Dutch peregrineren. Equivalent to pelgrim + -eren.

Additional Information