polariseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of polariseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: polariseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: polariserend
Past participle - Verleden deelwoord: gepolariseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpolariseer
jijpolariseert
hijpolariseert
wijpolariseren
julliepolariseren
zijpolariseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepolariseerd
jijhebt gepolariseerd
hijheeft gepolariseerd
wijhebben gepolariseerd
julliehebben gepolariseerd
zijhebben gepolariseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpolariseerde
jijpolariseerde
hijpolariseerde
wijpolariseerden
julliepolariseerden
zijpolariseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepolariseerd
jijhad gepolariseerd
hijhad gepolariseerd
wijhadden gepolariseerd
julliehadden gepolariseerd
zijhadden gepolariseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal polariseren
jijzult polariseren
hijzal polariseren
wijzullen polariseren
julliezullen polariseren
zijzullen polariseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepolariseerd hebben
jijzult gepolariseerd hebben
hijzal gepolariseerd hebben
wijzullen gepolariseerd hebben
julliezullen gepolariseerd hebben
zijzullen gepolariseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou polariseren
jijzou polariseren
hijzou polariseren
wijzouden polariseren
julliezouden polariseren
zijzouden polariseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepolariseerd hebben
jijzou gepolariseerd hebben
hijzou gepolariseerd hebben
wijzouden gepolariseerd hebben
julliezouden gepolariseerd hebben
zijzouden gepolariseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpolariseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French polariser. Equivalent to polair + -iseren. See: French 'polariser'.

Additional Information