alarmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of alarmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: alarmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: alarmerend
Past participle - Verleden deelwoord: gealarmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikalarmeer
jijalarmeert
hijalarmeert
wijalarmeren
julliealarmeren
zijalarmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gealarmeerd
jijhebt gealarmeerd
hijheeft gealarmeerd
wijhebben gealarmeerd
julliehebben gealarmeerd
zijhebben gealarmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikalarmeerde
jijalarmeerde
hijalarmeerde
wijalarmeerden
julliealarmeerden
zijalarmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gealarmeerd
jijhad gealarmeerd
hijhad gealarmeerd
wijhadden gealarmeerd
julliehadden gealarmeerd
zijhadden gealarmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal alarmeren
jijzult alarmeren
hijzal alarmeren
wijzullen alarmeren
julliezullen alarmeren
zijzullen alarmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gealarmeerd hebben
jijzult gealarmeerd hebben
hijzal gealarmeerd hebben
wijzullen gealarmeerd hebben
julliezullen gealarmeerd hebben
zijzullen gealarmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou alarmeren
jijzou alarmeren
hijzou alarmeren
wijzouden alarmeren
julliezouden alarmeren
zijzouden alarmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gealarmeerd hebben
jijzou gealarmeerd hebben
hijzou gealarmeerd hebben
wijzouden gealarmeerd hebben
julliezouden gealarmeerd hebben
zijzouden gealarmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijalarmeer

Translations

  • alarm, to give notice (by sound or otherwise) of approaching danger
  • alarm, to surprise with apprehension of danger
  • alarm, to keep in excitement; to disturb
  • rattle, to scare, startle, unsettle, or unnerve
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bijeenroepen
    roepen, waarschuwen
    beangstigen
    verontrusten

    Sample Sentences

    • De uitkijkposten alarmeren het hoofdkwartier telkens wanneer de vijand nadert. (The observer posts alert HQ each time the enemy approaches.)

    Etymology

    Borrowed from French alarmer. See: French 'alarmer'.

    Additional Information