patroneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of patroneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: patroneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: patronerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepatroneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpatroneer
jijpatroneert
hijpatroneert
wijpatroneren
julliepatroneren
zijpatroneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepatroneerd
jijhebt gepatroneerd
hijheeft gepatroneerd
wijhebben gepatroneerd
julliehebben gepatroneerd
zijhebben gepatroneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpatroneerde
jijpatroneerde
hijpatroneerde
wijpatroneerden
julliepatroneerden
zijpatroneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepatroneerd
jijhad gepatroneerd
hijhad gepatroneerd
wijhadden gepatroneerd
julliehadden gepatroneerd
zijhadden gepatroneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal patroneren
jijzult patroneren
hijzal patroneren
wijzullen patroneren
julliezullen patroneren
zijzullen patroneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepatroneerd hebben
jijzult gepatroneerd hebben
hijzal gepatroneerd hebben
wijzullen gepatroneerd hebben
julliezullen gepatroneerd hebben
zijzullen gepatroneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou patroneren
jijzou patroneren
hijzou patroneren
wijzouden patroneren
julliezouden patroneren
zijzouden patroneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepatroneerd hebben
jijzou gepatroneerd hebben
hijzou gepatroneerd hebben
wijzouden gepatroneerd hebben
julliezouden gepatroneerd hebben
zijzouden gepatroneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpatroneer

Translations

  • encourage, foster, give help or patronage
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information