Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: opgaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opgaand
Past participle - Verleden deelwoord: opgegaan
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ga op |
| jij | gaat op |
| hij | gaat op |
| wij | gaan op |
| jullie | gaan op |
| zij | gaan op |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben opgegaan |
| jij | bent opgegaan |
| hij | is opgegaan |
| wij | zijn opgegaan |
| jullie | zijn opgegaan |
| zij | zijn opgegaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ging op |
| jij | ging op |
| hij | ging op |
| wij | gingen op |
| jullie | gingen op |
| zij | gingen op |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was opgegaan |
| jij | was opgegaan |
| hij | was opgegaan |
| wij | waren opgegaan |
| jullie | waren opgegaan |
| zij | waren opgegaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal opgaan |
| jij | zult opgaan |
| hij | zal opgaan |
| wij | zullen opgaan |
| jullie | zullen opgaan |
| zij | zullen opgaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal opgegaan zijn |
| jij | zult opgegaan zijn |
| hij | zal opgegaan zijn |
| wij | zullen opgegaan zijn |
| jullie | zullen opgegaan zijn |
| zij | zullen opgegaan zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou opgaan |
| jij | zou opgaan |
| hij | zou opgaan |
| wij | zouden opgaan |
| jullie | zouden opgaan |
| zij | zouden opgaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou opgegaan zijn |
| jij | zou opgegaan zijn |
| hij | zou opgegaan zijn |
| wij | zouden opgegaan zijn |
| jullie | zouden opgegaan zijn |
| zij | zouden opgegaan zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'opgaan'
aangaan,
achtergaan,
achternagaan,
achteruitgaan,
afgaan,
begaan,
doorgaan,
gaan,
heengaan,
ingaan,
nagaan,
omgaan,
ondergaan,
ontgaan,
opgaan,
overgaan,
rondgaan,
toegaan,
uitgaan,
vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'opgaan'
omgaan,
afgaan,
begaan,
gaan,
ingaan,
nagaan,
ontgaan,
opslaan,
opstaan,
toegaan,
Sample Sentences
-
[...] een paar kijkers gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op tuurde. Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was gekomen, waar [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch opgaen, from Old Dutch upgān. Equivalent to op + gaan.
Verbs referencing "opgaan"
Afrikaans
opgaan, German, old spelling
aufgehen.
Additional Information