nitreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nitreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nitreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nitrerend
Past participle - Verleden deelwoord: genitreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknitreer
jijnitreert
hijnitreert
wijnitreren
jullienitreren
zijnitreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genitreerd
jijhebt genitreerd
hijheeft genitreerd
wijhebben genitreerd
julliehebben genitreerd
zijhebben genitreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknitreerde
jijnitreerde
hijnitreerde
wijnitreerden
jullienitreerden
zijnitreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genitreerd
jijhad genitreerd
hijhad genitreerd
wijhadden genitreerd
julliehadden genitreerd
zijhadden genitreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nitreren
jijzult nitreren
hijzal nitreren
wijzullen nitreren
julliezullen nitreren
zijzullen nitreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genitreerd hebben
jijzult genitreerd hebben
hijzal genitreerd hebben
wijzullen genitreerd hebben
julliezullen genitreerd hebben
zijzullen genitreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nitreren
jijzou nitreren
hijzou nitreren
wijzouden nitreren
julliezouden nitreren
zijzouden nitreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genitreerd hebben
jijzou genitreerd hebben
hijzou genitreerd hebben
wijzouden genitreerd hebben
julliezouden genitreerd hebben
zijzouden genitreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnitreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information