migreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of migreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: migreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: migrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemigreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmigreer
jijmigreert
hijmigreert
wijmigreren
julliemigreren
zijmigreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemigreerd
jijhebt gemigreerd
hijheeft gemigreerd
wijhebben gemigreerd
julliehebben gemigreerd
zijhebben gemigreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmigreerde
jijmigreerde
hijmigreerde
wijmigreerden
julliemigreerden
zijmigreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemigreerd
jijhad gemigreerd
hijhad gemigreerd
wijhadden gemigreerd
julliehadden gemigreerd
zijhadden gemigreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal migreren
jijzult migreren
hijzal migreren
wijzullen migreren
julliezullen migreren
zijzullen migreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemigreerd hebben
jijzult gemigreerd hebben
hijzal gemigreerd hebben
wijzullen gemigreerd hebben
julliezullen gemigreerd hebben
zijzullen gemigreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou migreren
jijzou migreren
hijzou migreren
wijzouden migreren
julliezouden migreren
zijzouden migreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemigreerd hebben
jijzou gemigreerd hebben
hijzou gemigreerd hebben
wijzouden gemigreerd hebben
julliezouden gemigreerd hebben
zijzouden gemigreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmigreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

trekken
verhuizen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin migrāre. See: Latin 'migrō'.

Additional Information