titreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of titreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: titreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: titrerend
Past participle - Verleden deelwoord: getitreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktitreer
jijtitreert
hijtitreert
wijtitreren
jullietitreren
zijtitreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getitreerd
jijhebt getitreerd
hijheeft getitreerd
wijhebben getitreerd
julliehebben getitreerd
zijhebben getitreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktitreerde
jijtitreerde
hijtitreerde
wijtitreerden
jullietitreerden
zijtitreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getitreerd
jijhad getitreerd
hijhad getitreerd
wijhadden getitreerd
julliehadden getitreerd
zijhadden getitreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal titreren
jijzult titreren
hijzal titreren
wijzullen titreren
julliezullen titreren
zijzullen titreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getitreerd hebben
jijzult getitreerd hebben
hijzal getitreerd hebben
wijzullen getitreerd hebben
julliezullen getitreerd hebben
zijzullen getitreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou titreren
jijzou titreren
hijzou titreren
wijzouden titreren
julliezouden titreren
zijzouden titreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getitreerd hebben
jijzou getitreerd hebben
hijzou getitreerd hebben
wijzouden getitreerd hebben
julliezouden getitreerd hebben
zijzouden getitreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtitreer

Translations

  • titrate, to ascertain the concentration of a solution
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information