kwijnen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwijnen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwijnen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwijnend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwijnd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwijn
jijkwijnt
hijkwijnt
wijkwijnen
julliekwijnen
zijkwijnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwijnd
jijhebt gekwijnd
hijheeft gekwijnd
wijhebben gekwijnd
julliehebben gekwijnd
zijhebben gekwijnd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwijnde
jijkwijnde
hijkwijnde
wijkwijnden
julliekwijnden
zijkwijnden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwijnd
jijhad gekwijnd
hijhad gekwijnd
wijhadden gekwijnd
julliehadden gekwijnd
zijhadden gekwijnd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwijnen
jijzult kwijnen
hijzal kwijnen
wijzullen kwijnen
julliezullen kwijnen
zijzullen kwijnen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwijnd hebben
jijzult gekwijnd hebben
hijzal gekwijnd hebben
wijzullen gekwijnd hebben
julliezullen gekwijnd hebben
zijzullen gekwijnd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwijnen
jijzou kwijnen
hijzou kwijnen
wijzouden kwijnen
julliezouden kwijnen
zijzouden kwijnen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwijnd hebben
jijzou gekwijnd hebben
hijzou gekwijnd hebben
wijzouden gekwijnd hebben
julliezouden gekwijnd hebben
zijzouden gekwijnd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwijn

Translations

  • languish, to live in miserable conditions
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    achteruitgaan
    afbrokkelen, aftakelen, verslechteren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch quinen, from Old Dutch quīnan, from Proto-Germanic *kwīnaną (Proto-West Germanic *kwīnan). See: Proto-Germanic '*kwīnaną'.

    Additional Information