Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: gloeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gloeiend
Past participle - Verleden deelwoord: gegloeid
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | gloei |
| jij | gloeit |
| hij | gloeit |
| wij | gloeien |
| jullie | gloeien |
| zij | gloeien |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gegloeid |
| jij | hebt gegloeid |
| hij | heeft gegloeid |
| wij | hebben gegloeid |
| jullie | hebben gegloeid |
| zij | hebben gegloeid |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | gloeide |
| jij | gloeide |
| hij | gloeide |
| wij | gloeiden |
| jullie | gloeiden |
| zij | gloeiden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gegloeid |
| jij | had gegloeid |
| hij | had gegloeid |
| wij | hadden gegloeid |
| jullie | hadden gegloeid |
| zij | hadden gegloeid |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal gloeien |
| jij | zult gloeien |
| hij | zal gloeien |
| wij | zullen gloeien |
| jullie | zullen gloeien |
| zij | zullen gloeien |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gegloeid hebben |
| jij | zult gegloeid hebben |
| hij | zal gegloeid hebben |
| wij | zullen gegloeid hebben |
| jullie | zullen gegloeid hebben |
| zij | zullen gegloeid hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou gloeien |
| jij | zou gloeien |
| hij | zou gloeien |
| wij | zouden gloeien |
| jullie | zouden gloeien |
| zij | zouden gloeien |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gegloeid hebben |
| jij | zou gegloeid hebben |
| hij | zou gegloeid hebben |
| wij | zouden gegloeid hebben |
| jullie | zouden gegloeid hebben |
| zij | zouden gegloeid hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'gloeien'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'gloeien'
bloeien,
groeien,
loeien,
vloeien,
bloeden,
boeien,
gooien,
groeten,
kloeken,
klooien,
Translations
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- fonkelen
- stralen
Sample Sentences
-
[...] brandhout er om heen, met een grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee potten, zoo hard als ik wenschen kon, en [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Inherited from Middle Dutch gloeyen, inherited from Old Dutch *gluoien, inherited from Proto-West Germanic *glōan, inherited from Proto-Germanic *glōaną. See: Proto-Germanic '
*glōaną', Proto-Germanic '
*glōaną'.
Verbs referencing "gloeien"
English
glow, German, old spelling
glühen.
Additional Information