ergeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ergeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ergeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ergerend
Past participle - Verleden deelwoord: geërgerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikerger
jijergert
hijergert
wijergeren
jullieergeren
zijergeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geërgerd
jijhebt geërgerd
hijheeft geërgerd
wijhebben geërgerd
julliehebben geërgerd
zijhebben geërgerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikergerde
jijergerde
hijergerde
wijergerden
jullieergerden
zijergerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geërgerd
jijhad geërgerd
hijhad geërgerd
wijhadden geërgerd
julliehadden geërgerd
zijhadden geërgerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ergeren
jijzult ergeren
hijzal ergeren
wijzullen ergeren
julliezullen ergeren
zijzullen ergeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geërgerd hebben
jijzult geërgerd hebben
hijzal geërgerd hebben
wijzullen geërgerd hebben
julliezullen geërgerd hebben
zijzullen geërgerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ergeren
jijzou ergeren
hijzou ergeren
wijzouden ergeren
julliezouden ergeren
zijzouden ergeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geërgerd hebben
jijzou geërgerd hebben
hijzou geërgerd hebben
wijzouden geërgerd hebben
julliezouden geërgerd hebben
zijzouden geërgerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijerger

Translations

  • bug, to annoy
  • roil, to annoy
  • vex, to annoy
  • annoy, to disturb or irritate
  • chafe, to excite passion or anger in
  • offend, to annoy, cause discomfort or resent
  • peeve, annoy; vex
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    hinderen
    irriteren, storen

    Sample Sentences

    • [...] lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; op deze wijze: (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch ergeren, argeren. By surface analysis, erger (“worse”) + -en. Cognate with German ärgern. See: German, old spelling 'ärgern'.

    Additional Information