dunken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dunken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dunken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dunkend
Past participle - Verleden deelwoord: gedocht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijdunkt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gedocht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijdocht

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gedocht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal dunken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gedocht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou dunken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gedocht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Verbs conjugated like 'dunken'

dunken,

Verbs similar to 'dunken'

danken, denken, duiken, bukken, dansen, dekken, deuken, dingen, doeken, dokken,

Translations

  • think, to seem, to appear
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    lijken
    schijnen, voorkomen

    Sample Sentences

    • [...] pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch dunken, from Old Dutch thunken, from Proto-West Germanic *þunkijan, from Proto-Germanic *þunkijaną. See: Middle Dutch 'dunken', Proto-Germanic '*þunkijaną'.

    Verbs referencing "dunken"

    Low Saxon dünken.

    Additional Information