destilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of destilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: destilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: destillerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedestilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdestilleer
jijdestilleert
hijdestilleert
wijdestilleren
julliedestilleren
zijdestilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedestilleerd
jijhebt gedestilleerd
hijheeft gedestilleerd
wijhebben gedestilleerd
julliehebben gedestilleerd
zijhebben gedestilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdestilleerde
jijdestilleerde
hijdestilleerde
wijdestilleerden
julliedestilleerden
zijdestilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedestilleerd
jijhad gedestilleerd
hijhad gedestilleerd
wijhadden gedestilleerd
julliehadden gedestilleerd
zijhadden gedestilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal destilleren
jijzult destilleren
hijzal destilleren
wijzullen destilleren
julliezullen destilleren
zijzullen destilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedestilleerd hebben
jijzult gedestilleerd hebben
hijzal gedestilleerd hebben
wijzullen gedestilleerd hebben
julliezullen gedestilleerd hebben
zijzullen gedestilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou destilleren
jijzou destilleren
hijzou destilleren
wijzouden destilleren
julliezouden destilleren
zijzouden destilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedestilleerd hebben
jijzou gedestilleerd hebben
hijzou gedestilleerd hebben
wijzouden gedestilleerd hebben
julliezouden gedestilleerd hebben
zijzouden gedestilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdestilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information