depouilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of depouilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: depouilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: depouillerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedepouilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdepouilleer
jijdepouilleert
hijdepouilleert
wijdepouilleren
julliedepouilleren
zijdepouilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedepouilleerd
jijhebt gedepouilleerd
hijheeft gedepouilleerd
wijhebben gedepouilleerd
julliehebben gedepouilleerd
zijhebben gedepouilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdepouilleerde
jijdepouilleerde
hijdepouilleerde
wijdepouilleerden
julliedepouilleerden
zijdepouilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedepouilleerd
jijhad gedepouilleerd
hijhad gedepouilleerd
wijhadden gedepouilleerd
julliehadden gedepouilleerd
zijhadden gedepouilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal depouilleren
jijzult depouilleren
hijzal depouilleren
wijzullen depouilleren
julliezullen depouilleren
zijzullen depouilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedepouilleerd hebben
jijzult gedepouilleerd hebben
hijzal gedepouilleerd hebben
wijzullen gedepouilleerd hebben
julliezullen gedepouilleerd hebben
zijzullen gedepouilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou depouilleren
jijzou depouilleren
hijzou depouilleren
wijzouden depouilleren
julliezouden depouilleren
zijzouden depouilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedepouilleerd hebben
jijzou gedepouilleerd hebben
hijzou gedepouilleerd hebben
wijzouden gedepouilleerd hebben
julliezouden gedepouilleerd hebben
zijzouden gedepouilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdepouilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information