deren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: derend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeerd

Cognates

See the 2 cognates of deren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeer
jijdeert
hijdeert
wijderen
julliederen
zijderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeerd
jijhebt gedeerd
hijheeft gedeerd
wijhebben gedeerd
julliehebben gedeerd
zijhebben gedeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeerde
jijdeerde
hijdeerde
wijdeerden
julliedeerden
zijdeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeerd
jijhad gedeerd
hijhad gedeerd
wijhadden gedeerd
julliehadden gedeerd
zijhadden gedeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deren
jijzult deren
hijzal deren
wijzullen deren
julliezullen deren
zijzullen deren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeerd hebben
jijzult gedeerd hebben
hijzal gedeerd hebben
wijzullen gedeerd hebben
julliezullen gedeerd hebben
zijzullen gedeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deren
jijzou deren
hijzou deren
wijzouden deren
julliezouden deren
zijzouden deren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeerd hebben
jijzou gedeerd hebben
hijzou gedeerd hebben
wijzouden gedeerd hebben
julliezouden gedeerd hebben
zijzouden gedeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon. Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was ? Wat hij mij gedaan had ? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik in het geheel niet boos op hem was. " Niet boos ! niet boos [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch dēren, from Old Dutch deren, from Proto-West Germanic *darjan.

Verbs referencing "deren"

English dere.

Additional Information