canoniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of canoniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: canoniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: canoniserend
Past participle - Verleden deelwoord: gecanoniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcanoniseer
jijcanoniseert
hijcanoniseert
wijcanoniseren
julliecanoniseren
zijcanoniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecanoniseerd
jijhebt gecanoniseerd
hijheeft gecanoniseerd
wijhebben gecanoniseerd
julliehebben gecanoniseerd
zijhebben gecanoniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcanoniseerde
jijcanoniseerde
hijcanoniseerde
wijcanoniseerden
julliecanoniseerden
zijcanoniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecanoniseerd
jijhad gecanoniseerd
hijhad gecanoniseerd
wijhadden gecanoniseerd
julliehadden gecanoniseerd
zijhadden gecanoniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal canoniseren
jijzult canoniseren
hijzal canoniseren
wijzullen canoniseren
julliezullen canoniseren
zijzullen canoniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecanoniseerd hebben
jijzult gecanoniseerd hebben
hijzal gecanoniseerd hebben
wijzullen gecanoniseerd hebben
julliezullen gecanoniseerd hebben
zijzullen gecanoniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou canoniseren
jijzou canoniseren
hijzou canoniseren
wijzouden canoniseren
julliezouden canoniseren
zijzouden canoniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecanoniseerd hebben
jijzou gecanoniseerd hebben
hijzou gecanoniseerd hebben
wijzouden gecanoniseerd hebben
julliezouden gecanoniseerd hebben
zijzouden gecanoniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcanoniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch canoniseren, from Middle French canoniser, from Ecclesiastical Latin canōnizō.

Additional Information