carboniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of carboniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: carboniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: carboniserend
Past participle - Verleden deelwoord: gecarboniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcarboniseer
jijcarboniseert
hijcarboniseert
wijcarboniseren
julliecarboniseren
zijcarboniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecarboniseerd
jijhebt gecarboniseerd
hijheeft gecarboniseerd
wijhebben gecarboniseerd
julliehebben gecarboniseerd
zijhebben gecarboniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcarboniseerde
jijcarboniseerde
hijcarboniseerde
wijcarboniseerden
julliecarboniseerden
zijcarboniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecarboniseerd
jijhad gecarboniseerd
hijhad gecarboniseerd
wijhadden gecarboniseerd
julliehadden gecarboniseerd
zijhadden gecarboniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal carboniseren
jijzult carboniseren
hijzal carboniseren
wijzullen carboniseren
julliezullen carboniseren
zijzullen carboniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecarboniseerd hebben
jijzult gecarboniseerd hebben
hijzal gecarboniseerd hebben
wijzullen gecarboniseerd hebben
julliezullen gecarboniseerd hebben
zijzullen gecarboniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou carboniseren
jijzou carboniseren
hijzou carboniseren
wijzouden carboniseren
julliezouden carboniseren
zijzouden carboniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecarboniseerd hebben
jijzou gecarboniseerd hebben
hijzou gecarboniseerd hebben
wijzouden gecarboniseerd hebben
julliezouden gecarboniseerd hebben
zijzouden gecarboniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcarboniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information