cadanceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cadanceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cadanceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cadancerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecadanceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcadanceer
jijcadanceert
hijcadanceert
wijcadanceren
julliecadanceren
zijcadanceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecadanceerd
jijhebt gecadanceerd
hijheeft gecadanceerd
wijhebben gecadanceerd
julliehebben gecadanceerd
zijhebben gecadanceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcadanceerde
jijcadanceerde
hijcadanceerde
wijcadanceerden
julliecadanceerden
zijcadanceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecadanceerd
jijhad gecadanceerd
hijhad gecadanceerd
wijhadden gecadanceerd
julliehadden gecadanceerd
zijhadden gecadanceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cadanceren
jijzult cadanceren
hijzal cadanceren
wijzullen cadanceren
julliezullen cadanceren
zijzullen cadanceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecadanceerd hebben
jijzult gecadanceerd hebben
hijzal gecadanceerd hebben
wijzullen gecadanceerd hebben
julliezullen gecadanceerd hebben
zijzullen gecadanceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cadanceren
jijzou cadanceren
hijzou cadanceren
wijzouden cadanceren
julliezouden cadanceren
zijzouden cadanceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecadanceerd hebben
jijzou gecadanceerd hebben
hijzou gecadanceerd hebben
wijzouden gecadanceerd hebben
julliezouden gecadanceerd hebben
zijzouden gecadanceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcadanceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information