balanceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of balanceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: balanceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: balancerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebalanceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbalanceer
jijbalanceert
hijbalanceert
wijbalanceren
julliebalanceren
zijbalanceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebalanceerd
jijhebt gebalanceerd
hijheeft gebalanceerd
wijhebben gebalanceerd
julliehebben gebalanceerd
zijhebben gebalanceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbalanceerde
jijbalanceerde
hijbalanceerde
wijbalanceerden
julliebalanceerden
zijbalanceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebalanceerd
jijhad gebalanceerd
hijhad gebalanceerd
wijhadden gebalanceerd
julliehadden gebalanceerd
zijhadden gebalanceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal balanceren
jijzult balanceren
hijzal balanceren
wijzullen balanceren
julliezullen balanceren
zijzullen balanceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebalanceerd hebben
jijzult gebalanceerd hebben
hijzal gebalanceerd hebben
wijzullen gebalanceerd hebben
julliezullen gebalanceerd hebben
zijzullen gebalanceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou balanceren
jijzou balanceren
hijzou balanceren
wijzouden balanceren
julliezouden balanceren
zijzouden balanceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebalanceerd hebben
jijzou gebalanceerd hebben
hijzou gebalanceerd hebben
wijzouden gebalanceerd hebben
julliezouden gebalanceerd hebben
zijzouden gebalanceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbalanceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French balancer. See: French 'balancer'.

Additional Information