boeleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boeleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boeleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boelerend
Past participle - Verleden deelwoord: geboeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboeleer
jijboeleert
hijboeleert
wijboeleren
jullieboeleren
zijboeleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboeleerd
jijhebt geboeleerd
hijheeft geboeleerd
wijhebben geboeleerd
julliehebben geboeleerd
zijhebben geboeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboeleerde
jijboeleerde
hijboeleerde
wijboeleerden
jullieboeleerden
zijboeleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboeleerd
jijhad geboeleerd
hijhad geboeleerd
wijhadden geboeleerd
julliehadden geboeleerd
zijhadden geboeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boeleren
jijzult boeleren
hijzal boeleren
wijzullen boeleren
julliezullen boeleren
zijzullen boeleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboeleerd hebben
jijzult geboeleerd hebben
hijzal geboeleerd hebben
wijzullen geboeleerd hebben
julliezullen geboeleerd hebben
zijzullen geboeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boeleren
jijzou boeleren
hijzou boeleren
wijzouden boeleren
julliezouden boeleren
zijzouden boeleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboeleerd hebben
jijzou geboeleerd hebben
hijzou geboeleerd hebben
wijzouden geboeleerd hebben
julliezouden geboeleerd hebben
zijzouden geboeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboeleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From boel + -eren.

Additional Information