benutten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of benutten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: benutten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: benuttend
Past participle - Verleden deelwoord: benut

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbenut
jijbenut
hijbenut
wijbenutten
julliebenutten
zijbenutten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb benut
jijhebt benut
hijheeft benut
wijhebben benut
julliehebben benut
zijhebben benut

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbenutte
jijbenutte
hijbenutte
wijbenutten
julliebenutten
zijbenutten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad benut
jijhad benut
hijhad benut
wijhadden benut
julliehadden benut
zijhadden benut

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal benutten
jijzult benutten
hijzal benutten
wijzullen benutten
julliezullen benutten
zijzullen benutten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal benut hebben
jijzult benut hebben
hijzal benut hebben
wijzullen benut hebben
julliezullen benut hebben
zijzullen benut hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou benutten
jijzou benutten
hijzou benutten
wijzouden benutten
julliezouden benutten
zijzouden benutten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou benut hebben
jijzou benut hebben
hijzou benut hebben
wijzouden benut hebben
julliezouden benut hebben
zijzouden benut hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbenut

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aangrijpen
gebruiken, profiteren

Sample Sentences

Etymology

From be- + nutten, influenced by German benutzen. See: German, old spelling 'benutzen'.

Additional Information