begieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begierend
Past participle - Verleden deelwoord: begierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegier
jijbegiert
hijbegiert
wijbegieren
julliebegieren
zijbegieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begierd
jijhebt begierd
hijheeft begierd
wijhebben begierd
julliehebben begierd
zijhebben begierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegierde
jijbegierde
hijbegierde
wijbegierden
julliebegierden
zijbegierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begierd
jijhad begierd
hijhad begierd
wijhadden begierd
julliehadden begierd
zijhadden begierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begieren
jijzult begieren
hijzal begieren
wijzullen begieren
julliezullen begieren
zijzullen begieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begierd hebben
jijzult begierd hebben
hijzal begierd hebben
wijzullen begierd hebben
julliezullen begierd hebben
zijzullen begierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begieren
jijzou begieren
hijzou begieren
wijzouden begieren
julliezouden begieren
zijzouden begieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begierd hebben
jijzou begierd hebben
hijzou begierd hebben
wijzouden begierd hebben
julliezouden begierd hebben
zijzouden begierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information