aandrukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aandrukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aandrukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aandrukkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangedrukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdruk aan
jijdrukt aan
hijdrukt aan
wijdrukken aan
julliedrukken aan
zijdrukken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangedrukt
jijhebt aangedrukt
hijheeft aangedrukt
wijhebben aangedrukt
julliehebben aangedrukt
zijhebben aangedrukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrukte aan
jijdrukte aan
hijdrukte aan
wijdrukten aan
julliedrukten aan
zijdrukten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangedrukt
jijhad aangedrukt
hijhad aangedrukt
wijhadden aangedrukt
julliehadden aangedrukt
zijhadden aangedrukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aandrukken
jijzult aandrukken
hijzal aandrukken
wijzullen aandrukken
julliezullen aandrukken
zijzullen aandrukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangedrukt hebben
jijzult aangedrukt hebben
hijzal aangedrukt hebben
wijzullen aangedrukt hebben
julliezullen aangedrukt hebben
zijzullen aangedrukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aandrukken
jijzou aandrukken
hijzou aandrukken
wijzouden aandrukken
julliezouden aandrukken
zijzouden aandrukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangedrukt hebben
jijzou aangedrukt hebben
hijzou aangedrukt hebben
wijzouden aangedrukt hebben
julliezouden aangedrukt hebben
zijzouden aangedrukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdruk aan

Translations

  • flatten, to knock down or lay low
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Compound of aan + drukken.

    Additional Information